Het Europees begrotingskader

Sinds de stopzetting van de buitensporigtekortprocedure in 2014, is België  terug onderworpen aan het preventieve deel van het Stabiliteits- en Groeipact. Bijgevolg moet België jaarlijks een budgettaire aanpassing van ten minste 0,6% van het bbp in de richting van de middellangetermijndoelstelling (MTO) realiseren en mogen de overheidsuitgaven niet sneller stijgen dan een referentiepercentage onder de potentiële bbp groei op middellange termijn, tenzij de groei van de uitgaven gecompenseerd wordt door discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde. Daarnaast dient België ook nog steeds de regels van het corrigerend luik van het Stabiliteits- en Groeipact na te leven. Zo mag het nominaal tekort de drempel van 3% van het bbp niet overschrijden en moet België ervoor zorgen dat het schuldniveau voldoende snel in de richting van 60% van het bbp evolueert.

Om er voor te zorgen dat de lidstaten hun begrotingsdoelstellingen realiseren en de Europese Commissie de realisatie van deze doelstellingen kan opvolgen, moeten de lidstaten elk jaar in april een Stabiliteitsprogramma (voor lidstaten die deel uitmaken van de eurozone) of een convergentieprogramma (voor de overige lidstaten) aan de Europese Commissie voorleggen. In een dergelijk programma wordt het begrotingsbeleid voor de komende drie jaren beschreven. Daarnaast dienen de lidstaten van de eurozone ook uiterlijk op 15 oktober van elk jaar een Ontwerpbegrotingsplan aan de Europese Commissie over te maken.

Daar de Europese regels van toepassing zijn op de gezamenlijke overheid, is een intra-Belgische coördinatie noodzakelijk.