Meerjarenraming 2018-2023 - Toegelicht

De meerjarenraming 2018-2023 (MJR) werd op 17 november 2017 goedgekeurd door de Vlaamse Regering en neergelegd in het Vlaams Parlement. Deze MJR bouwt voort op de begrotingsopmaak 2018 en plaatst de genomen beleidskeuzes in een meerjarig perspectief.

De evoluties van de ontvangsten, de uitgaven, en de correcties worden in grote lijnen geraamd, waardoor de beleidsruimte waarover de Vlaamse Regering tot en met 2023 zal kunnen beschikken duidelijk wordt. Ook de evolutie van de Vlaamse schulden wordt onder de loep genomen. Er wordt voor dit alles uitgegaan van zogenaamd constant beleid, d.w.z. dat de huidige regelgeving in de toekomst onveranderd wordt doorgezet.

De ontvangsten stijgen tussen 2018 en 2023 met 6,2 miljard euro. Dit is voornamelijk dankzij de toename van de gemeenschaps- en gewestmiddelen die Vlaanderen ontvangt vanuit de Federale overheid op basis van de Bijzondere Financieringswet (+4,9 miljard euro), alsook de opcentiemen op de personenbelasting (+0,8 miljard euro) en de gewestbelastingen (+0,5 miljard euro). Het merendeel van deze toenames zijn gelinkt aan de verwachte economische groei en inflatie.

De uitgaven stijgen met 4,7 miljard euro tegen 2023. Dit is voor iets meer dan de helft te wijten aan de indexatie van de huidige kredieten, die zorgt voor een natuurlijke toename van de uitgaven met 2,5 miljard euro. Daarnaast zijn er aantal belangrijke kostendrijvers die de uitgaven de komende jaren doen toenemen, waaronder de lonen van het onderwijzend personeel (+0,3 miljard euro), de kinderbijslag (+0,2 miljard euro), de ondersteuning van de ouderenzorg (+0,2 miljard euro), de dienstencheques (+0,2 miljard euro), de werken voor de Oosterweelverbinding (+0,5 miljard euro) en de jaarlijkse groei van het Steden- en Gemeentefonds (+0,5 miljard euro).

Om tot het vorderingensaldo te komen (lijn 1 van de tabel) wordt het verschil tussen de ontvangsten en de uitgaven nog bijgesteld met de onderbenutting en de gangbare ESR-correcties.

Om na te gaan in welke mate de Vlaamse begrotingsdoelstelling gerealiseerd kan worden, dienen op het vorderingensaldo nog een aantal correcties toegepast te worden voor uitgaven die geneutraliseerd moeten worden. Deze correcties dalen met 0,5 miljard euro tegen 2023. De daling is deels ten gevolge van een eenmalige afrekening van 1 miljard euro in 2018 die voortkomt uit de Bijzondere Financieringswet (lijn 5), alsook de overname van schuld van fuserende gemeenten, ten belope van 0,1 miljard euro in 2018 (lijn 3). Deze daling wordt evenwel deels tenietgedaan door verwachte uitgaven in het kader van de Oosterweelverbinding, die met 0,6 miljard euro toenemen tegen 2023 en eveneens buiten de begrotingsdoelstelling gehouden worden (lijn 2).

Alles samen zorgt dit voor een positief saldo (gecorrigeerd voor begrotingsdoelstelling) dat tegen 2023 ongeveer 1 miljard euro zal bedragen. Uit de meerjarenraming blijkt nu duidelijk dat het beoogde evenwicht dat sinds 2017 bereikt is ook in de toekomst zal kunnen doorgezet worden, met bovendien nog ruimte voor het aangaan van nieuw beleid, extra investeringen, schuldaflossing, etc.

(in duizend euro)

 BO 2018 (ontwerp)
 MJR 2019
 MJR 2020
 MJR 2021
 MJR 2022
 MJR 2023
Vorderingensaldo (1)

-1.206.149

-33.323

-500.510

-180.628

74.645

354.179

Oosterweel (2)

76.447

195.700

561.400

577.700

620.000

655.200

Schuldovername gemeenten (3)

96.654

0

0

0

0

0

A1/A3 (4)

40.000

40.000

40.000

40.000

40.000

40.000

Afrekening 2018 (5)

1.004.982

0

0

0

0

0

Saldo na correcties voor aftoetsing begrotingsdoelstelling (6 =1 + 2 + 3 + 4 + 5)

11.934

202.377

100.890

437.072

734.645

1.049.379