Prestatiebegroting als een leer- en lerend systeem: buitenlandse ervaringen met het gebruik van prestatie-informatie

In het verleden heeft Vlaanderen een aantal aanzetten gegeven om te komen tot een meer prestatiegerichte begroting, waarbij in de vorige legislatuur door het Rekendecreet een belangrijke basis gelegd werd voor een betere koppeling tussen de beleids-, beheers- en begrotingscyclus.

In legislatuur 2014-2019 werd op deze basis verder gewerkt door het concept van de inhoudelijke structuurelementen (ISE) te introduceren in de begroting. Hierdoor kan er vanaf de volgende legislatuur een meer eenduidige koppeling gelegd worden tussen begrotingskredieten en (strategische en/of operationele) doelstellingen. Dit impliceert dat de beleidsdomeinen kwalitatieve en relevante indicatoren moeten uitwerken voor deze doelstellingen. Dit laat toe om in de volgende legislatuur te komen tot een prestatie geïnformeerde begroting. Dit houdt in dat de middelen worden gerelateerd aan de verwachte prestaties op een indirecte manier. Het is de bedoeling om op termijn prestatie-informatie systematisch te gebruiken als verantwoording bij budgettaire beslissingen. Prestatie-informatie is dus belangrijk in het besluitvormingsproces, maar bepaalt niet noodzakelijk de grootte van de toegewezen middelen.

Het klaarzetten van een structuur voor “Performance-informed budgeting” volstaat echter niet voor een succesvolle introductie. Daarnaast blijkt ook dat er geen “one-fit-for-all” stappenplan kan opgesteld worden voor de introductie ervan, alles is afhankelijk van de institutionele context en politieke cultuur. Daarom heeft de Universiteit Antwerpen in opdracht van het departement Financiën en Begroting onderzoek gedaan naar hoe de prestatiebegroting en het gebruik van prestatie-informatie in de loop van volgende legislatuur best kan worden uitgerold in Vlaanderen.

De vraag “Hoe kunnen indicatoren en prestatie-informatie best aangewend worden in het Vlaams begrotingsproces?” diende als leidraad bij het onderzoek.

Met als subvragen:

  • op welk niveau (centrale opvolging door minister van begroting of meer decentraal)?
  • voor welke scope (kunnen ze overal gehanteerd worden, of is het voor bepaalde inhoudelijke structuurelementen relevanter dan voor andere en zo ja hoe kan er best gedifferentieerd worden)?
  • welk type van indicatoren (input/activiteiten/output/outcome) is realistisch binnen de huidige Vlaamse begrotings-/beleidsdocumenten, en wat is de ‘standaard’ in een aantal voorbeeldlanden?
  • hoe dient er omgegaan te worden met de resultaten van de indicatoren?

Het eindrapport ‘Prestatiebegroting als een leer- en lerend systeem: buitenlandse ervaringen met het gebruik van prestatie-informatie’ kan u raadplegen onder de rubriek 'Lees meer'.